Thorikos

Het antieke Thorikos wordt door Pausanias helemaal niet besproken, en zal daarom in zijn tijd vrijwel verlaten zijn geweest. Thorikos was een belangrijke nederzetting in de prehistorie, en was ook in de klassieke periode van groot belang. Het stadje gold als haven, en was belangrijk genoeg om met een fort te zijn beschermd. Aan antieke resten zijn er momenteel de fundamenten te zien van talloze klassieke en huizen, en het alleroudste stenen theater in Attika, met een zeer bijzondere vorm: in plaats van een halve cirkel, zoals gewoonlijk, vormen de stenen zetels een halve ellips. Aan het ene uiteinde heeft een tempeltje gestaan van Dionysos, aan het andere uiteinde een complex van kleine kamertjes.

 

Opgravingen in en om Thorikos worden gecoördineerd door de universiteiten van Gent en Utrecht. Zie hun website.

Van groot belang is de verdere bestudering van het theater en de publicatie van de onderzoeksgegevens door de universiteit van Gent o.l.v. professor Roald Docter, die in een eerste publicatie ook een oproep doet het onderzoek te steunen: http://www.ebsa.info/pages/data/doc/Thorikos__ENG.pdf
Aan zijn werk ontleend is de foto van een maquette van de oudste fase van het theater, met het tempeltje van Dionysus.

Thorikos in de mythologie
Een vroeg-klassieke inscriptie uit Thorikos (nu in het epigrafisch museum van Athene) maakt melding van uitgebreide offers ter ere van Kephalos en Prokris, die in Thorikos woonden in de tijd dat Oedipous koning was in Thebe. Hun tragische liefdesgeschiedenis vormde het voorwerp van een tragedie van Sophocles (waarvan slechts enkele woorden resteren), en was al eeuwen eerder algemeen bekend (Prokris wordt door de auteur van de Odyssee al genoemd in een opsomming van vrouwen met een ongelukkige liefdesgeschiedenis, samen met Ariadne (door Theseus verlaten) en Phaedra (verliefd op haar stiefzoon). De volledige geschiedenis wordt uitgebreid beschreven door Ovidius en Apollodorus en wordt aangestipt door Pausanias.

 

Dat Thorikos een belangrijke nederzetting is geweest in de prehistorie, toont onder meer het enorme Myceense tholosgraf uit plus. 1200 v.C. dat duidelijk maakt dat het zuiden van Attika destijds zijn eigen dynastie kende, zoals ook uit de mythologie blijkt, waar Theseus zijn verwanten in Sounion moet bestrijden.

 

 

Enkele honderden meters naar het zuidwesten (volg het pad langs de bedding van het riviertje, te herkennen aan de rietpluimen, tot aan een enorm steenblok midden in het riviertje; steek daar over en klim over het hek) zijn de fundamenten opgegraven van een tempel gewijd aan Demeter en Kore. De tempel, die waarschijnlijk nooit is afgebouwd, had een zeer merkwaardige constructie: twee zuilenhallen in de lengte van elkaar gescheiden door een scheidsmuur. De tempel is in de tijd van Augustus gesloopt en de resten ervan zijn overgebracht naar Athene, waar er een nieuw tempeltje van is opgericht in het z.g. Eleusinion.

 

 

Prokris en Kephalos, een tragische liefdesgeschiedenis.

 

Pierre-Narcisse Guérin, Aurora en Cephalus (1810: Louvre)

Prokris was een dochter van koning Erechtheus uit Athene; zij huwde de schone Kephalos, de zoon van Deion uit de plaats Thorikos in Attika en niets scheen hun huwelijksgeluk in de weg te staan, want beide  jongelui waren tot over hun oren verliefd op elkaar.

Pierre Claude François Delorme, Cephalus ontvoerd door Aurora, 1851

Helaas begonnen de problemen al een maand na hun huwelijk. Toen Kephalos op jacht was werd hij gezien door de godin van het ochtendrood Eos (of Aurora in het latijn), die de jongen voor zich wilde en hem tijdens een middagdutje ontvoerde. In haar prachtige paleis probeerde Eos hem te verleiden, maar Kephalos kon alleen aan zijn eigen vrouw denken en ging op geen van haar avances in. Woedend liet Eos uiteindelijk Kephalos gaan met de voorspelling dat zijn vrouw wel eens minder standvastig kon zijn. Hierop werd Kephalos verteerd door jaloezie en argwaan: Zou Prokris echt ..? Kephalos besloot de proef op de som te nemen en vroeg Eos om hem van gedaante te veranderen. Toen dat eenmaal was gebeurd ging hij naar huis en hij moest hemel en aarde bewegen om Prokris te spreken te krijgen. Prokris was ondertussen vooral ongerust en verdrietig over de afwezigheid van haar man en had totaal geen belangstelling voor de zeer knappe vreemdeling die alles uit de kast haalde om haar te verleiden en  uiteindelijk zilver en goud bied om een nacht met haar te mogen slapen. Uiteindelijk gaf Prokris toe, waarop Kephalos zich bekend maakte en haar met schande overladen het huis uit joeg. Huilend en afkerig van elke omgang met een man zwierf Prokris door de bergen, nog slechts Artemis dienend, en met Artemis in het gezelschap van haar bosnimfen jagend en wonend in de vrije natuur, terwijl Kephalos alleen nog kon denken aan zijn en niet meer kon slapen van verlangen en verdriet.  Uiteindelijk zocht hij haar op en smeekte haar hem te vergeven, haar verzekerend dat hij in ruil voor zoveel geschenken mogelijk ook ontrouw was geworden.

Opnieuw liet Prokris zich ompraten, ze verliet het gebergte  en keerde met Kephalos terug naar huis en overhandigde hem twee geschenken die zij van Artemis had gekregen: een jachthond genaamd Lailaps met de eigenschap dat hij nooit een prooi zou laten ontsnappen en een jachtspeer van een op aarde onbekende houtsoort, met een gouden punt. Deze speer was zo gemaakt dat hij nooit zou missen waar hij naartoe werd gegooid. Ondanks aanvankelijke problemen brak nu een tijd van zoet geluk aan. Kephalos beminde Prokris en zij hielden van elkaar als zelden twee andere mensen.

 

 

Helaas zou deze toestand niet voortduren. Kephalos ging nog steeds vaak uit jagen, zoals hij het ook voorheen deed, hij vertrok al vroeg, met zijn nooit missende speer, een veldfles met water, brood, kaas en olijven en doorkruiste de bossen, beklom rotsen en voelde zich een met de natuur. Zijn hond Lailaps was en bij een grote drijfjacht, samen met de prooi, de teumessische vos, door de goden versteend in de buurt van Thebe. Hij miste het dier dagelijks, maar de vreugde van de jacht deed hem alles vergeten. Als de zon hoger en hoger scheen en Kephalos verhit was van de jacht, legde hij zich neer om te rusten en te eten en riep dan om een verkoelend briesje:   Aura, aura, kom en vertroetel me, laat jou adem mijn hele lijf beroeren. Ik gloei van verlangen naar jou tedere omhelzing. Deze woorden, in luchthartige stemming uitgeroepen, zouden Kephalos duur komen te staan. Een andere jager hoorde Kephalos en bracht zijn woorden over aan Prokris, die direct door jaloezie werd gegrepen. Toen Kephalos weer op jacht ging sloop zij achter hem aan, niet wetend of ze hem wilde betrappen of niet. Na een inspannende jacht en achtervolging, legde Kephalos zich bezweet neer en riep om Aura, de verkoelende bries. Prokris hart stond stil. Om hem te kunnen zien door het struikgewas drong ze naar voren en brak met haar voet een droge tak. Kephalos hoorde het geluid, greep zijn speer  en slingerde deze in een vloeiende beweging naar zijn prooi in de struiken. Een ijselijke gil verscheurde zijn plezier over alweer een geslaagde jacht Toen hij stilstond bij een stervende Prokris konden de gelieven niet meer doen dan afscheid nemen, beiden met spijt in het hart.

Veroordeeld wegens doodslag ging Kephalos in ballingschap naar Thebe waar hij de vader van Herakles hielp in diens strijd tegen de Teleboers. Daarna verhuisde hij naar het eiland Kephalonia, dat naar hem is vernoemd. (zie Pausanias 1.37.6).

Rechts: Wandtapijt uit Edingen (koning Boudewijn stichting), met een woudlandschap en als detail Prokris die haar hond en speer aan Kephalos overhandigt.
Onder: Jean-Honoré Fragonard, Cephalus en Procris, 1755