NAM

Het Nationaal Archeologisch Museum van Athene is in alle opzichten het fraaiste en grootst opgezette museum van Grieken land. Opgericht in 1866-1889 en uitgebreid met een nieuwe vleugel in 1925-1939, werden hier oorspronkelijk alle topstukken uit het hele land getoond, alhoewel tegenwoordig nieuwe vondsten meestal worden opgesteld in de regionale musea verspreid over het land. De tentoonstelling is grotendeels chronologisch-thematisch geordend en wordt ontsloten door vele toegankelijke gidsen. De voorwerpen zijn chronologisch gerangschikt.

De vondsten uit de prehistorie omvatten vooral de onvoorstelbaar rijke vondsten uit de schachtgraven van Mykene, waaronder de beroemde goden dodenmaskers (inclusief het “masker van Agamemnon”, dat overigens enkele eeuwen ouder is dan Agamemnon) en de prachtige ingelegde dolken uit deze graven. Ook staan hier enkele van de grafstenen die bij diezelfde graven horen en fragmenten van de fresco’s die ooit de paleizen van Mykene, Tiryns, Pylos en elders sierden.

De kamers gewijd aan het Neolithicum/Vroege Bronstijd en de Kykladen bevatten vooral vazen en gebruiksvoorwerpen, naast een aantal van de mooiste marmeren beeldjes afkomstig van de Kykladeneilanden.

Bijzonder fraai zijn ook de vele sieraden en andere luxevoorwerpen uit de Mykeense graven van heel Griekenland. Een viertal gouden zegelringen mogen hier een goud voorbeeld van geven, evenals de twee Minoïsche bekers uit een tholos-graf bij Vapheio (bij Sparta), met erop scènes van het vangen van wilde stieren, soms in netten, soms met behulp van lokkoeien.

 

Interessant zijn de voorbeelden van Lineair B kleitabletten, ooit bedoeld als tijdelijke notities voor de burocraten in de Mykeense paleiscentra, die behalve als paleizen ook dienden als belastingcentra, distributiecentra en centra voor de productie van luxe goederen. Beambten hielden nauwkeurig de voorraden bij op minuscule ‘post-it’ tabletten, waarvan de inhoud later werd overgenomen in grotere ‘overzichts’ tabletten, die op hun beurt ook weer tijdelijk van aard waren. Uiteindelijk werd de hele administratie bijgehouden op perkament, waarna de (ongebakken) kleitabletten werden gerecycled. Bij de branden die de Mykeense centra uiteindelijk verwoestten, werden de tijdelijke tabletten gebakken, terwijl de officiële administratie verloren gind.

Interessant is ook de helm gemaakt van everzwijnentanden, die op een kap van leer werden genaaid. Ervan uitgaande dat de drager de zwijnen zelf had gedood, liet hij zich hier van zijn macho-kant zien. Intrigerend is dat Homerus in het gedicht de ‘Ilias’ die de Trojaanse oorlog als onderwerp had, een gebeurtenis die in de Mykeense tijd te dateren valt, melding maakt van dit type helm, net als van de manshoge schilden, die we op de dolk boven zien.

 

Archaïsche beelden en vazen

Na de ondergang van de Mykeense beschaving (1150 v. Chr.) en de erop volgende ‘Dark Ages’ waarin de bevolking van Griekenland sterk achteruitging, er op grote schaal nederzettingen werden verlaten, de handel stillag en er nieuwe bevolkingsgroepen richting Peloponnesos migreerden, kwam rond het jaar 900 Griekenland als geheel er weer bovenop. De achteruitgang werd gestopt, handelsvolumes en bevolking groeiden en het klassieke systeem van onafhankelijke stadstaten, met een eigen bestuur, leger, binnen-, en buitenlandse politiek kwam langzaam tot stand. In de eerste eeuwen zien we 9e en 8e eeuw v. Chr. zien we vooral hoe de lokale aristocratie zich meer en meer monumentaal gaat uiten, met name qua grafmonumenten. Reusachtige, vaak manshoge, minutieus beschilderde grafvazen werden bovenop de graven van de dode gezet, in het begin met nog uitsluitend geometrische patronen, dan wel heel kleine figuratieve scènes, later met steeds verder uitlopende scènes. Vaak wordt de begrafenis van de dode getoond.

In de 8e en 7e eeuw v. Chr. duiken dan ook de eerste manshoge beelden op, in het begin sterk beïnvloed door de Egyptische kunst, zij het in Griekenland altijd naakt (voor mannen). De oudste beelden zijn vaak aandoenlijk, met eerder gestileerd aandoende, dan realistische details, als de oren, de pijpenkrullen en de wat dubieuze ‘archaïsche’ glimlach. In de loop der tijd worden de beelden langzaamaan realistischer, totdat rond 490 v. Chr. de perfectie wordt bereikt van de klassieke beeldhouwkunst.

 

De dode ligt op tafel, 'bedekt' met een geruite deken en omringd door klaagvrouwen. Plusminus 850 v. Chr.
Midden-geometrische grafvaas. De dode ligt opgebaard onder een geruite deken, klaagvrouwen bewenen zijn dood en een stoet twee-wielige strijdwagens trekt langs. Ongeveer 800 v. Chr.
Een van de oudste voorbeelden van Grieks schrift staat op deze schenkkan.
Dansende jongemannen, geleid door een citerspeler ontmoeten een groep jonge vrouwen. Plusm. 720 v. Chr.

De ontwikkeling van de archaïsche beeldhouwkunst komt goed tot uiting in de onderstaande afbeeldingen. Opvallend bij de grote kouros gevonden bij Sounion (plusm. 600 v. Chr.) zijn de gestileerde details en (nog opmerkelijker) de ‘buikspieren’ die de beeldhouwer ook op de rug heeft afgebeeld. Duidelijk is, dat hij nog niet gewend was echt goed te kijken. Het beeld ernaast, uit 530 v. Chr. is duidelijk al veel realistischer, terwijl met de Kritios-kouros (met een veel natuurlijker houding) de klassieke perfectie is bereikt. Vanaf dat moment worden ook de haren kort gehouden. De dame met de papaverbol stamt uit plusminus 530 v. Chr. en heeft nog fraaie resten van de oorspronkelijke beschildering.

Klassiek beeldhouwwerk

Aan klassiek beeldhouwwerk is vermoedelijk als allerbelangrijkste beeld de buitengewoon mooie Zeus (of Poseidon) van Artemision te noemen, een van de weinige Griekse bronzen die bewaard is gebleven. Daarnaast zijn enkele zalen geheel gewijd aan klassieke grafmonumenten, die ook vaak de zeer hoge kwaliteit van de Griekse beeldhouwkunst laten zien.

 

Een Romeinse kopie gevonden op de Pnyx van een beroemd beeld van Pheidias.
Voor de decoratie op het schild van de Athena Parthenos moeten we andere kopieën bekijken, zoals deze in het museum van Patras.
Een verkleinde Romeinse kopie van de grote Athena Parthenos geeft enige indruk van het origineel.

postklassieke beeldhouwkunst

Een enkel voorbeeld moet hier volstaan, een prachtig bronzen exemplaar van een jonge jockey op een immens groot paard, gemaakt in de 2e eeuw v. Chr., staande in dezelfde hal als een 2e eeuwse kopie van de beroemde Diadoumenos van Polykleitos, en de vondsten van het timpanon van de tempel van Asklepios in Epidauros.

een prachtig bronzen exemplaar van een jonge jockey op een immens groot paard, gemaakt in de 2e eeuw v. Chr
De enorme achterplaat van een luxueus grafmonument (vermoedelijk 1e eeuw v. Chr.) toont een schitterend paard, geleid door een negerjongen.
Afrodite 'dreigt' Pan met haar slipper van zich af te slaan. Een vliegende Cupido-Eros houdt ze bij elkaar.
fragment timpanon van Asklepiostempel in Epidauros.
timpanon sculptuur Asklepiostempel in Epidauros

Afdeling vaaskunst

Een aparte afdeling van het museum is gewijd aan de vele duizenden vazen uit de verschillende periodes van de Griekse geschiedenis. Een overzicht is hier haast teveel gevraagd, daarom een kleine selectie.

 

Een bijzondere groep betreft het vaatwerk uit het heiligdom van de Kabiren in Thebe, oorspronkelijk een mysterie-cultus die jongeren in de overgang van de ene in de andere levensfase moesten ondersteunen. De rituelen hadden vaak een sterk Dionysisch karakter, met muziek, dans en drank. De gevonden vazen tonen veelal groteske voorstellingen. De belangrijkste goden zijn de godheid Kabeiros en zijn zoon (Pais).