Pausanias Project


De laat-Byzantijnse periode (1250-1450), en de Palaiologen


Behalve de al genoemde kruisvaardersstaten ontstonden in de resten van het oude Byzantijnse Rijk “Griekse – byzantijnse” staten als het despotaat van Epirus en het keizerrijk van Nikaea, die in continu conflict waren met de Latijnse staten en ook ieder voor zich het recht claimden op de troon van Constantinopel. Direct al in 1204 veroverde het despotaat van Epiros noord-west Griekenland tot aan de golf van Korinthe, en oefende voortdurend druk uit op het koninkrijk van Thessaloniki. dat al in 1224 in handen viel van de heerser van Epiros, die zich vanaf dat moment keizer noemde.  

          Tenslotte slaagde een generaal van Vatatzes, die na zijn dood tot mede-keizer was gekroond van de minderjarige Johannes IV erin om een grote geallieerde troepenmacht uit Sicilie, het prinsdom Achaea en koning Uros van Servie te verslaan in een veldslag bij Pelagonia (Macedonie) in 1259. Twee jaar later nam deze generaal Contantinopel weer in om na het afzetten van zijn jeugdige medekeizer(die hij de ogen liet uitsteken om te voorkomen dat hij ooit weer macht zou kunnen krijgen) in zijn eentje verder te regeren als keizer Michael VIII Palaiologos. Ook in zijn behandeling van het prinsdom Achaia (Morea) behaalde hij de nodige sucessen: bij de veldslag bij Pelagonia was onder meer William de Villehardouin gevangen genomen, die (na enige tijd in de gevangenis) werd gedwongen om enkele strategische bezittingen op de Peloponnesos als Maina, Monemvasia en het kasteel van Mystras als onderdeel van zijn losgeld aan de Byzantijnen.


Het huis van de Palaiologen heeft zijn naam gegeven aan deze periode van de Byzantijnse kunst en cultuur, die vaak als een renaissance wordt betiteld. Toch zien we vooral in de architectuur vooral een voortzetting van de oudere, middel-Byzantijnse architectuur, met slechts weinig veranderingen. Van groot belang in deze periode wordt de ontwikkeling van de fresco-schilderkunst, aangezien ook het keizerlijk huis niet meer over voldoende geld kon beschikken om kerken van mozaïeken met gouden achtergrond te voorzien. Feit is dat rond 1450 het Byzantijnse Rijk bestond uit enkel de stad Constantinopel en de Peloponnesos in Griekenland. Daarnaast bezetten de Venetianen nog altijd enkele steunpunten voor hun vloot richting het Midden Oosten. De belangrijkste monumenten in Griekenland uit deze periode bevinden zich in Mystrás met zijn vele kerken, keizerlijk paleis en (Frankische) burcht, en verder in de kloosters van Metéora. Verder vinden we verspreid talloze forten en kastelen, gebouwd door de Franken en/of de Byzantijnen en vervolgens overgenomen door Turken en Venetianen.

De keizers riepen het westen op hulp te bieden, maar de paus was slechts bereid om hulp te bieden, nadat de orthodoxe kerk zich officiëel had onderworpen en op alle gebieden de autoriteit van de paus had erkend. De keizer overwoog daarop het schisma met Rome te herstellen en de paus het absolute gezag te verlenen in alle religieuze zaken, maar de oosterse patriarchen en het volk weigerden  de gesloten compromissen te erkennen. Slechts enkele westerse huurlingen kwamen naar Constantinopel, maar over het geheel genomen deden de waterse staten niks om de Byzantijnen te helpen in hun strijd tegen de Turken. En zo slaagden de Turken erin om stukje bij beetje het Byzantijnse rijk in te nemen, totdat in 14r53 de sultan Mehmet II besloot tot de definieve aanval op de muren van Constantinopel. Heel de tijd hiervoor hadden de Turken een aanval op de onneembaar geachte vesting uitgesteld, maar met de uitvinding van het kanon konden ook de indrukwekkende muren van Constantinopel niet langer weerstand bieden aan de Turkse legers. En zo viel in 1453 de hoofdstad van het Byzantijnse rijk, waarna Mehmet en zijn opvolgers hun aandacht konden richten op de verdere verovering van de Balkan.

          In 1461 hadden de Turken op enkele Venetiaanse steunpunten na de hele Morea in handen. Euboia werd in 1470 veroverd, terwijl de steunpunten van de Venetianen en de Pisanen nog tientallen jaren verzet wisten te bieden. Zo vielen Chios en Naxos pas in 1577, en opende Candia, de hoofdstad van het Venetiaanse Kreta pas in 1669 de poorten na een beleg van 25 jaar. Het (venetiaanse) eiland Tinos  viel pas in 1715 in handen van de Turkse troepen, nadat de hernieuwde vijandelijkheden tussen de Turken en de Venetianen onder Morosini voor de laatsten op een fiasco waren uitgelopen.

          Voor de (materiële) geschiedenis van Griekenland is vooral de bouwactiviteit van de Turken van belang. Van groot belang is hier vooral de oprichting van de nodige forten, aangezien de talloze andere bouwwerken van de Turken in Griekenland voor het grootste deel zijn gesloopt. Zo vielen de nodige moskeeën onder de handen van de wraakzuchtige Grieken na de bevrijdingsoorlog (1821-1835), terwijl ook badhuizen en pleisterplaatsen verdwenen. Gebleven zijn slechts de forten, die deels al door de Franken en Venetianen waren opgericht, maar werden versterkt door de Turken en later door de Grieken werden opgenomen in hun nationale verdedigingswerken.

De ondergang van het Byzantijnse rijk

Bron: Daniël Koster, Naar het heerlijk Griekenland, Verbeelding! Voer mij heen. Groningen 1993 p. 51

De inname van Constantinopel met de erop volgende verdeling van de byzantijnse gebieden door de westerse kruisvaarders, heeft de ontplooiing van de Turkse macht geen kwaad gedaan. De Franken waren onderling verdeeld en waren uiteindelijk geen partij voor de Byzantijnen en de inval van de Catalanen. De republiek Venetië daarentegen bleel een zeer hardnekkige tegenstandster. In 1261 slaagde het Keizerrijk van Nikaia erin om Constantinopel opnieuw in handen te krijgen en om het onafhankelijke koninkrijk van Epirus te verslaan. Voor enige tijd was Byzantium hiermee opnieuw een speler op het internationale toneel onder keizer Michael VIII, maar uiteindelijk was het uitgeputte keizerrijk geen partij voor de vele vijanden die het omringden. Constantinopel lag voor een groot deel in puin, de handel was geheel in handen van Italiaanse kooplieden, die op de eilanden en enkele punten van de Peloponnesos hun steunpunten wisten te behouden en het leger had een groot tekort aan financiën. Gedurende de 14e eeuw werd het rijk geteisterd door burgeroorlogen. De Aziatische gebieden waren definitief verloren aan de Turken, terwijl de Serviërs en de Bulgaren de restanten van het Byzantijnse territorium  veroverden. Een tijd lang wisten de Byzantijnen vooral  overeind te bliven doordat de Turken onderling te verdeeld waren om een serieuze aanval op te zetten. Pas onder Osman I (1258-1326) zetten de Turken hun zegetocht voort, en werd het Byzantijnse rijk tot op enkele havens na onder de voet gelopen.



Laatbyzantijnse periode