blog_Firenze
Home dit project regios geschiedenis musea catalogus uitgelicht
Pausanias Project

Pausanias: Rondleiding door Griekenland (scroll voor meer info)


“deze tweedelige vertaling hoort dan ook thuis in iedere bibliotheek met enige aandacht voor de klassieken” (HERMES)



Pausanias was een Grieks-sprekende “travel-writer” uit de tweede eeuw na Chr., die in tien hoofdstukken een literaire reis beschijft langs de bekende en minder bekende plaatsen op het Griekse vasteland in de Romeinse tijd. Per schip aangekomen in Athene voert hij de lezer onder meer over de Akropolis en langs de destijds nog rijkelijk aanwezige kunstschatten op de Akropolis en in de rest van Athene. Daarna leidt hij de lezer te voet, per ezel en per schip via Korinthe naar Sparta en Messenië, vandaar naar het antieke Olympia, de beschrijving waarvan – met z’n schitterende tempels en honderden niet zo duizenden kunstschatten – het centrum van zijn werk inneemt. Vanuit Olympia gaat de reis door Achaia en Arcadië via Boiotië (met daarin de woonplaats van de mythische koning Oedipus) door naar Delphi, dat ook ruime aandacht krijgt. Centraal in zijn werk staat de beschrijving van tempels en hun kunstschatten, afgewisseld met anecdotes over kunstenaars, de winnaars in sportevenementen als de Olympische Spelen of de spelen in Delphi en verhalende episodes uit de Griekse geschiedenis. Dat we te maken hebben met een literair product passend in de traditie van zijn tijd, wordt op tal van plaatsen in zijn werk duidelijk, onder meer in de zeer zorgvuldige stijl en de overdachte opbouw.

          Van het leven van Pausanias is niets bekend op losse opmerkingen na die hij zelf in zijn werk heeft gemaakt. Zelfs de naam van de auteur is niet met volledige zekerheid overgeleverd: hij wordt zo genoemd door de Byzantijnse geleerde Stephanos van Byzantium (6de eeuw na Chr.), die de eerste persoon is die onomstotelijk naar dit werk verwijst. Hij is rond 110-115 na Chr. geboren, waarschijnlijk ergens in de buurt van Magnesia bij de berg Sipylos in het huidige Turkije, destijds een Grieks sprekend deel van het Romeinse rijk. Hij heeft een groot deel van zijn leven (in elk geval vanaf 160 na Chr.) doorgebracht met het doorkruisen van Griekenland om de “beroemde plaatsen van de oudheid” te bezoeken en al het andere te zien en te beschrijven wat hij “wetenswaardig” noemt. Keizer Marcus Aurelius (die stierf in 180 na Chr.) is de laatste keizer die hij noemt. Daarom zal zijn werk rond 180 na Chr. voltooid zijn geweest.  

          De vertaling van dr. Jelle Abbenes is rechtstreeks gemaakt naar het oud-Grieks, en wordt ondersteund door honderden voetnoten die de lezer informeren over verwijzingen van Pausanias naar plaatsen of antieke teksten, over de exacte locaties die hij beschrijft, of over bijzonderheden van de tijd na Pausanias. Ook is er een index toegevoegd van de besproken plaatsen en personen. De noten zijn deels ontleend aan de met een prijs onderscheiden uitgave van Papachatzis, deels aan het standaardcommentaar van W. Frazer, en steunen verder op de belangrijke encyclopedie voor classici, Der Neue Pauly, Lexicon der Antike en op eigen onderzoek.


Geïnteresseerd?


De complete vertaling is rechtstreeks te bestellen via  www.boekscout.nl of www.athenaeum.nl (via webwinkel), of via een mailtje aan de vertaler. Klik hier voor een promomail. Voor de volledige recensie in Hermes, klik  hier.




Klik op de vlag voor de Engels-talige versie van de site.

MYCEENS ACHAEA


Sinds kort is het grootste Myceense fort in Achaea toegankelijk voor bezoekers. Dit fort, vanwaaruit de ommelanden werden bestuurd in de Myceeense periode, is gelegen aan een tweetal lagunes en is zonder meer imposant te noemen. De belangrijkste fortificaties dateren van 1300 voor Chr., maar de oudste bewoningssporen gaan terug op zo’n 3500 jaar voor Chr. In tegenstelling tot de grote Myceense centra in o.a. de  Argolis, zijn er aan dit fort geen mythes verbonden. Het is daarmee onduidelijk of de noord-westhoek van de Peloponnesos onafhankelijk van de grotere centra werd bestuurd, of onderdeel vormde van één van de paleiscentra. De vele graven in de buurt, evenals de grotere Myceense nederzettingen in de buurt, maken een onafhankelijk gebied echter waarschijnlijk. In later tijd is dit grote fort continu hergebruikt. In de klassieke periode (Thucydides) stond het bekend als “fort van Dyme”, naar de belangrijkste polis in de buurt. In de serie oorlogen tussen de Aetolische en Achaeïsche Bond (220-217 voor Chr.) werd het fort enige tijd bezet door Philippus V van Macedonië, die het veroverde op de soldaten van Elis en overhandigde aan Dyme (Polybius 4.83). Nog in de Byzantijnse periode werd het geheel verbouwd, waarbij een hoektoren werd toegevoegd en het fort met een scheidingsmuur in tweeën werd gedeeld, die tot aan de tweede wereldoorlog aan beide uiteindes ook torens kende (door de Italianen opgeblazen, die er kanonnen installeerden). In diezelfde periode werd ook de middelste poort dichtgemetseld.

De acropolis werd aan drie kanten beschermd door een Cyclopische muur, gebouwd met stenen die tot aan 3.5 ton wegen, waarin drie poorten waren uitgespaard. De vierde kant werd beschermd door de lagune aan de voet van het fort. Bewoningssporen binnen en buiten de muren maken duidelijk dat het fort het centrum was van een uitgebreide en dichtbevolkte nederzetting. De oostelijke (hoofd)ingang werd daarnaast versterkt met een enorme hoektoren..  



In klassieke-en postklassieke tijd werd er in de Myceense hoektoren een altaar opgericht, gewijd aan Artemis, Aphrodite, Apollo en Ares, voor wie nog inscripties op de gebruikte steenblokken zichtbaar zijn. Afgezien van deze enorme burcht, zijn er op vele tientallen plaatsen Myceense graven gevonden, vaak met zeer rijke inhoud, getuigend van de welvaart van de streek. De voornaamste serie graven is gevonden bij het dorpje Portes. De grafgiften zijn grotendeels terechtgekomen in het archaeologisch museum van Patras.

     

Van groot belang is verder de goed toegankelijke Myceense nederzetting in Chalandritsa, en het indrukwekkende grafveld te Portes, waar niet alleen een grote tumulus is aangetroffen, maar daarbinnen nog meerdere kamergraven in verschillende bouwstijlen. Indrukwekkend en uniek tot op heden is het graf van een Myceense krijger-edelman uit 1200 voor Chr., dat onbeschadigd bewaard is gebleven. De inhoud bestond uit aardewerk en een enorme serie bronzen voorwerpen en wapens (zwaard, speer, dolk, scheenbeschermers, helmband). Het grafveld  maakte deel uit van een nederzetting die nog niet geheel is geëxploreerd.




















De volgende door Pausanias genoemde en soms met zekerheid gelocaliseerde stadjes hebben geen noemenswaardige antieke (of middeleeuwse) resten meer. Zij worden hier verder niet beschreven:

    -   Aigai (Akrata?)                                  -   Aristonautai (Xylokastro)

    -   Argyra                                                -   Erineos (Lampiri)

    -   Helike                                                 -   Olenos

    -   Pharai                                                 -   Phelloë

    -   Tritaia                                                 -   Arla

    -   Pellene

   

Patras

Dyme

Bouravallei

Aegion

Rhypai

Rhion

Aegeira

Keryneia

Leontion

De regio Achaia was in de tijd van Pausanias zó sterk achtergebleven gebied, en zó sterk ontvolkt, dat hij grote moeite moet doen om een boek van 26 paragrafen met dit gebied te vullen. Om dit probleem op te lossen, voegt de schrijver na de onontkoombare vroegste geschiedenis, een excurs in over de volksverhuizingen die plaats vonden na de komst van de Doriërs (De Doriërs verdreven de oorspronkelijke bevolking van de Peloponnesos -bij Homerus geregeld Achaiërs genoemd- naar o.a. Achaia; de daar wonende bevolking, als afstammelingen van Ion, Ioniërs genoemd, werd eerst richting Athene verdreven, en ging vandaar vrijwillig door naar de kusten van het huidige Turkije, die in de klassieke oudheid bekend stonden als de landstreek Ionië), en vervolgens een nog uitvoeriger excurs over de botsingen tussen o.a. de Romeinen en de Achaïsche Bond. Pas halverwege paragraaf 16 gaat Pausanias over tot de beschrijving van het eigenlijke Achaia, waarbij dan nog eens 6 van de 10 overgebleven paragrafen worden ingenomen door de beschrijving van Patras zelf.