Pausanias Project


Aldaar namen zij plaats in rijen op schone tronen en zetels. En de grijsaard bereidde zijn gasten de wijn in een verruk­kelijke beker. Goed en rijp was die wijn, geschonken uit een kruik, waar hij al sedert tien jaar bewaard bleef. Nu verbrak de dienstmaagd het zegel.

Nadat de vorst deze wijn had gemengd, plengde hij die ter ere van Zeus' dochter, wier schild schittert als weerlich-

tend zilver, en tot wie hij andermaal bad met vurige aandrang.

Nadat allen hun drankoffer hadden gebracht en hun dorst gelest, gingen ze naar hun eigen huis om aldaar de zoete slaap te genieten. Maar vorst Nestor bereidde zijn gast, de jonge en schrandere Telemachos een slaapplaats in zijn eigen paleis: een houten, van schoon snijwerk voorzien bed onder het weergalmend gewelf van de zaal, waar hij sliep, samen met 's konings zoon, Peisistratos, de enige van Nestors zonen, die nog ongehuwd was. Maar Nestor zelf ging ter ruste in zijn eigen kamer, in het midden van zijn heerlijk hoge hui­zing gelegen, en zijn vorstin sierde zijn sponde.

Toen nu de jonge dageraad door rose vingeren gluurde, stond de vermaarde wagenmenner, Nestor, van zijn sponde op, ging naarbuiten en nam plaats op een bank van glad marmer, die heerlijk glanzend voor de hoge deuren van zijn paleis stond. Eens had hier Neleus gezeten, de goden in wijs­heid gelijk. Doch lang geleden vervulde zich aan hem het droeve doodslot en was hij schoorvoetend naar Hades geto­gen. Nu zat daar die oude en wijze Nestor, de staf in de hand, als leider der Grieken. Ijlings traden nu ook zijn zonen uit hun kamers. En rondom hem verzamelden zich Echephron Stratios, Perseus en Aretos, samen met de edele Thrasymedes. Als laatste kwam de jongste, Peisistratos, de zesde zijner zo­nen, met de jonge Telemachos, die een plaats kreeg in hun kring.

Toen nam Nestor het woord om kenbaar te maken zijn wensen. 'Vlug nu gehandeld, door mijn geliefde kinderen, en offers gebracht aan Zeus' dochter, Pallas Athena, die ons haar genade betoonde door in persoon te verschijnen aan het offermaal, dat wij Poseidon bereidden. Dat één uwer ga naar de weiden. Zoek daar een éénjarig rund, dat de herder dan hierheen moet brengen. Een ander weer moet gaan naar het schip van de edele Telemachos om de schepelingen te halen op twee na, die het vaartuig bewaken. En wéér een ander zal zich spoeden naar Laërtes, de kundige goudsmid. Die moet komen om de hoorns van het jonge kalf te vergulden. De overigen blijven hier in het paleis. En dat zij de dienst­maagden opdragen om in het paleis de offermaaltijd te berei­den, voor ons zetels gereed te zetten, hout en vers water te brengen.'

Zo Nestor, en zij haastten zich allen. Het eenjarige stier-kalf werd van de weide naar het paleis gebracht; de schepe­lingen van Telemachos verlieten het kloeke schip; en ook de edelsmid kwam met aambeeld, harner en tangen, het gereed­schap van zijn heerlijk ambacht. Pallas Athena verscheen eveneens op het offerfeest, haar ter ere. En nu woog Nestor voor de edelsmid het goud af, opdat hij het plette en daarmee de horens van het rund versieren zou, zodat de godin zich des te meer in de heerlijke offergave zou verheugen.

Daarop leidden Stratios en Echephron het offerdier bij de hoorns, terwijl Aretos uit de voorraadkamer trad met een schaal met water, die met bloemen versierd was. En in de andere hand hield hij een korfje met gerstekorrels. De ferme Thrasymedes stond met een scherpe bijl gereed om daarmee het offerdier te doden. En Perseus hield het bekken klaar om het bloed erin op te vangen.

De oude wagenstrijder Nestor ving thans de offerdienst aan, wies zich de handen in het zuivere water en strooide de gerstekorrels, bad tot de godin en wierp wat haar van het offerdier in het vuur.

Toen allen hun gebeden verricht en de gerstekorrels uit­gestrooid hadden, trad de kloeke Thrasymedes naarvoren, sprong toe en sloeg. De bijl kliefde de nekspieren van het dier, en de stier zakte ineen in het zand. En de vrouwen vingen al weeklagend te bidden aan: Nestors dochter, schoon­dochters en zijn vorstelijke gade, Clymenos' oudste dochter, Eurydice. Middelerwijl lichtten de mannen de kop van het kalf op uit het door de wilde hoeven vertrapte zand, en de leider der mannen, Peisistratos reet het dier de keel open. Het donkere bloed spoot eruit; het leven ontvlood zijn gebeente; fluks slachtten zij nu het dier, sneden volgens heilig voor­schrift de beste stukken uit de schenkels, wikkelden die in repen vet en legden er het mager vlees bovenop. En die verbrandde de edele vorst op de brandstapel. De lenden-stukken verbrand en de donkere wijn geplengd, terwijl de edele jongelingen met hun vijftand gereed stonden, werd het beste van de ingewanden genuttigd, waarna ze de rest van het vlees in kleine stukjes sneden, die staken aan speten en boven het vuur roosterden.

Middelerwijl werd de heerlijke jongeling gebaad door de

mooie Polykaste, de jongste dochter van Nestor. Daarop zalfde zij hem met olie, bekleedde hem met hemd en kostelijke mantel. En aan één der onsterfelijken gelijk kwam hij tevoor­schijn uit het bad. Naast Nestor, leider der mannen, nam hij toen plaats.

Toen het vlees gebraden en van de speten getrokken was, zetten zij zich aan de dis, door edele knapen bediend, die hun gouden bekers vulden met wijn. En nadat hun dorst gelest, hun honger gestild was, sprak de Gerenische grijsaard, als wagenstrijder vermaard:

'Lieve zonen, haast u thans met de beste paarden van stal te halen en spant die voor de wagen, zodat Telemachos ter­stond zijn reis kan vervolgen.'

Zo sprak hij; en zijn zoons draalden niet, zijn bevelen op te volgen. Spoedig stonden de paarden voor de reiswagen gespannen. En de huisbewaardster zette in het voertuig de reiskost, brood, wijn en spijzen, een koning waardig.

Telemachos besteeg nu die heerlijke wagen, naast hem de leider der mannen, Peisistratos. Die legde de zweep over de paarden. Als bevleugeld vloog het span naar het open veld, het hoog gelegen Pylos voor de vlakte verlatend. Al rinke-bellend danste het haam op hun nekken, urenlang tot de avond viel.

Toen daalde de schemering, donker werden de wegen, en zij bereikten Pherae, waar zij stil hielden voor de hoge huizing van de edele Diocles, zoon van Ortilochos, die op zijn beurt Alpheios' zoon was. Daar kregen zij met de geschenken der gastvrijheid ook onderdak voor de nacht.

Nauwelijks echter had de dageraad met tedere vingers de hemel rose gekleurd, of reeds spanden zij weder de paarden voor de wagen en bestegen hun heerlijke voertuig. En voort ging het weer, over het binnenplein, de weergalmende poort door naarbuiten. Pijlsnel draafden de paarden. Spoedig had het willige span de korenvelden bereikt; het einde van de reis was in zicht, toen andermaal de zon zonk en duisternis de paden bedekte.