Pausanias Project


De eerste tijd onder koning Georgios I veranderde er in het landsbestuur vrij weinig. Wél kreeg Griekenland er zijn eerste gebiedsuitbreiding door: ter gelegenheid van de troonsbestijging in 1864 van Georgios schonken de Engelsen Griekenland de Ionische eilanden (Kerkyra (Corphu), Kephalonia, Ithaki, Leukas, Zakynthos), die zij een 50 jaar daarvoor van de Fransen hadden afgenomen als straf voor de Napoleontische oorlogen. De Fransen hadden de eilanden op hun beurt “geërfd” van de Venetianen, die er sinds 1204 hadden geregeerd. Politiekse partijen stelden vrij weinig voor (ze dienden vooral voor de wisseling in banen in het landsbestuur) en coalities werden net ze snel gesmeed als ze weer uit elkaar vielen. Kabinetten volgden elkaar op met de regelmaat van de klok (tussen 1863 en 1875 kende Griekenland niet minder dan 23 kabinetten!), terwijl het nog altijd de koning was die bepaalde wie een nieuwe regering mocht vormen. Pas in 1875 stelde de koning officiëel vast dat hij altijd de leider van de grootste partij zou aanwijzen om een regering te vormen. Mede hierdoor kwam in 1881 de belangrijke hervormer Charilaos Trikoupis aan de macht met zijn “Nieuwe Partij”.  Tijdens de rest van de 19e eeuw zou de westers geöriënteerde Trikoupis steeds van regering wisselen met zijn traditionele rivaal Deliyannis. Trikoupis wilde eerst en vooral de kredietwaardigheid van zijn land herstellen, en probeerde daarvoor de industrialisatie te bevorderen alsmede de handel. Hij wilde nieuwe treinverbindingen aanleggen, liet het kanaal van Korinthe graven, het meer van Kopaïs droogleggen en probeerde leger en vloot te moderniseren. Deliyannis daarentegen wilde niets weten van bezuinigen of hogere belastingen en stortte het land in 1897 in de z.g. “Dertig Dagen” oorlog in Thessalië tegen het Ottomaanse Rijk, o.a. om de anti-turkse opstand op Kreta te steunen. Een vreselijke nederlaag volgde. Toch kreeg Griekenland al in 1881 nieuw grondgebied toegewezen op de Conferentie van Berlijn, om zo de Bulgaars-Russische aspiraties in dat gebied in de wielen te rijden. Ook werd Kreta in 1897 “autonoom” gebied (onder supervisie van Georgios I) binnen het Osmaanse Rijk.

          

Van links naar rechts: De Trikoupis-brug, al voorgesteld in 1889 door Trikoupis, maar pas gebouwd  tussen 1990 en 1999; het kanaal van Korinthe (2 x), begonnen onder Trikoupis en voltooid in 1892, en rechts boven, de aanleg van  de spoorlijn Omonoia-Piraeus en Charilaos Trikoupis zelf.

Modern Griekenland 2

Eleftherios Venizelos en de Balkanoorlogen (1912-1913)

In 1908 beefde het Osmaanse Rijk op z’n grondvesten: een militaire junta, opgezet vanuit Thessaloniki (destijds nog Salonica) greep de macht in Istanbul, zette de sultan af en probeerde het Osmaanse Rijk te revitaliseren door gelijkheid tussen moslims, christenen en joden te beloven. Toch verklaarden onmiddelijk de Bulgaren de onafhankelijkheid van hun land, riep Kreta de aansluiting uit bij Griekenland en maakte Oostenrijk-Hongarije zich meester van Bosnië en Herzegovina. In Athene kwamen ook de militairen in opstand, eisten militaire hervormingen en een nieuwe regering, waarin geen plaats meer was voor de “oude politiek”. In de plaats van de oude politici kwam Eleftherios Venizelos, een ambitieus politicus die naam had gemaakt op het autonome Kreta. Bij verkiezingen in 1910 behaalde zijn Liberale Partij bijna 300 van de 362 zetels en drukte een enorme serie hervormingen door op elk gebied, de instelling van een minumumloon voor vrouwen en kinderen, legalisering van de vakbonden, en een wet op landhervorming, die nationalisering van o.a. Kloostergronden mogelijk moest maken.

          Toen in 1911 de Italianen in Libië de Turken aanvielen en de Dodekanisos bezetten en Servië en Bulgarije in 1912 afspraken maakten over een gezamelijke actie tegen het nog altijd Osmaanse Makedonië, kon ook Griekenland niet achterwege blijven en sloot zich aan bij de eerder genoemde landen. Ondanks dreigementen van Rusland, Engeland en Frankrijk opende Montenegro in Oktober 1911 de aanval, waarna in een zeer korte oorlog heel Makedonië werd ingenomen door deze drie landen en in een tweede oorlog Bulgarije door Griekenland en Roemenië werd beroofd van een aandeel in de buit. Al in 1913 werden de nieuwe landsgrenzen door alle betrokkenen erkend. Griekenlands territorium was in deze twee Balkanoorlogen bijna verdubbeld (al was de creatie van een onafhankelijk Albanië voor de Grieken een tegenslag, die ook het Griekssprekende Noord-Epirus hadden willen hebben). De bevolking was in één klap toegenomen van bijna 3 miljoen inwoners naar 5 miljoen, alhoewel een groot deel van hen moslim was en een ander belangrijk deel bestond uit  Slaven of Joden. Vooral Thessaloniki was voor een belangrijk deel (spaansprekend!) Joods, sinds Joodse vluchtelingen voor de Spaanse inquisitie in 1492 de wijk hadden genomen naar de Turken.

          In 1913 werd koning Georgios I vermoord en opgevolgd door zijn zoon Constantijn. Lange tijd verwachtte men (en hoopte men) dat Constantijn zich -als erfgenaam van de Byzantijnse keizers- Constantijn XII zou noemen, daarmee tegelijk een claim leggend op het nog resterende “byzantijnse” territorium. Het bleef echter bij Constantijn I.

Boven: een kaartje dat de fases laat zien van de uitbreiding van het Griekse grondgebied van 1832 tot 1913. Naderhand zou alleen (tijdelijk) het gebied rond Smyrna/Izmir in Turkije nog bij Griekenland komen, en zou de Dodekanesos in 1947 bij Griekenland worden gevoegd.

Onder: de territoriale regelingen uit het verdrag van Boekarest (augustus 1913). Bron: R. Clogg, A Concise History of Greece, Cambridge 1991.

Met het uitbreken van de eerste wereldoorlog in 1914 ontstond direct in Griekenland de vraag aan welke kant men mee zou moeten doen. Deze vraag werd des te nijpender, toen bleek dat koning Constantijn een overwinning van Duitsland het meest waarschijnlijk achtte (en bovendien was getrouwd met een zuster van keizer Wilhelm II) en daarom neutraal wilde blijven terwijl Eleftherios Venizelos gezien de historische banden met Engeland, Frankrijk en Rusland de kant van deze landen wilde kiezen. De Engelsen beloofden Griekenland aanzienlijke territoriale winst als ze de problemen met Bulgarije zouden bijleggen en dat land uit de oorlog konden houden en Venizelos (die meer en meer hoopte op de kusten van Turkije) stelde zich krachtig achter de Engelsen, zeker toen Bulgarije zich aansloot bij de as-mogendheden en Servië aanviel (nog steeds bondgenoot van Griekenland). Wél werd hij door het boycotten van nieuwe verkiezingen buiten spel gezet door de koning. Meer en meer stond hierdoor Venizelos voor een aggressieve buitenlandse politiek en de droom van een Groot Griekenland, terwijl de meer traditioneel ingestelde royalisten de status quo wilden behouden en eerst Griekenland wilden consolideren.

          Uiteindelijk kwam het zelfs tot een tweedeling van Griekenland: een militaire staatsgreep in Thessaloniki bracht in het “nieuwe” Griekenland een pro-Venizelos regering aan de macht, met een eigen staatsapparaat en leger, terwijl het royalistische zuiden een pro-Bulgaarse houding aannam. Engelse en Franse troepen landden zelfs in 1917 in de Piraeus om royalistisch Griekenland neutraal te houden en de havens te kunnen gebruiken voor de aanvoer van oorlogsmaterieel. Zware tegenstand van Griekse royalistische soldaten dreef de Engelsen en Fransen weer de haven uit, waarna in het “oude” Griekenland mensen verdacht van pro-Venizelos sympathieën werden ontslagen uit leger en staatsapparaat. De geallieerden erkenden nu officieel de Venizelos-regering en eisten het vertrek van koning Constantijn, die prompt in 1917 het land verliet en werd opgevolgd door zijn zoon Alexander. Venizelos werd nu de leider van een “verenigd” Griekenland en stuurde prompt troepen naar het Bulgaarse front om aan de zijde van de geallieerden mee te vechten. Ook liet hij nu op zijn beurt mensen verdacht van royalistische sympathieën uit leger en regering ontslaan.

          Bij de vredesbesprekingen in 1918 in Parijs wilde Venizelos de beloning binnenhalen door een claim te leggen op Smyrna (waar destijds meer Grieken woonden dan in Athene) en op oost en west Thrakië tot aan en inclusief Constantinopel. Nog tijdens de vredesbesprekingen landden echter Italiaanse troepen in de omgeving van Smyrna, waarop Griekenland werd aangemoedigd door Amerika en Engeland om daar ook te landen. Mei 1915 landden daarop ook Griekse troepen in Smyrna, die zich prompt schuldig maakten aan vreselijke wandaden, waarbij meer dan 350 Turken werden gedood of gewond. Onder meer hierdoor werd het Turkse nationalisme sterk aangewakkerd, waarbij onder Kemal Atatürk de eerste gevechten uitbraken tussen Griekse en Turkse troepen. Toch werd al in 1920 het verdrag van Sèvres getekend, waarbij de regio Smyrna voor een periode van 5 jaar aan Griekenland werd toegekend, waarna een referendum zou moeten beslissen over de verdere toekomst. Twee maanden later stierf koning Alexander en werd Venizelos bij nieuwe verkiezingen verpletterend verslagen  door de royalisten. Een referendum bracht koning Constantijn terug, waarna een nieuwe ronde van wraak en ontslagen volgde, nu weer voor de Venizelos-aanhangers.

          De terugkeer van Constantijn bracht ook een belangrijke terugslag in de militaire successen van de Grieken in Turkije. Italië en Frankrijk sloten vrede met de Turken en zouden voortaan nog slechts wapens verkopen aan de Turkse troepen van Kemal Atatürk, en Engeland stelde zich verder neutraal op. Een groot Griekse offensief richting Ankara liep vast, waarna in Augustus 1921 Kemal Atatürk een tegenoffensief inzette, dat al op 8 september leidde tot de inname van Smyrna. Hierbij kwam het tot een massaslachting onder de Grieks-Armeense christenen met meer dan 30.000 slachtoffers en brandde de stad (op de Turks-Joodse wijken na) geheel af.

          Feitelijk was hiermee de gedachte van een “Groot Griekenland” ter ziele gegaan en nieuwe vredesbesprekingen leidden tot het verdrag van Lausanne in 1923, waarbij onder meer tot een grootschalige bevolkingruil werd besloten: alle moslims uit Griekenland zouden naar Turkije worden gedeporteerd en omgekeerd zouden alle christenen uit Turkije naar Griekenland worden gedeporteerd. Deze etnische zuiveringen hebben van Griekenland een van de meest etnisch homogene landen van de Balkan gemaakt, al waren er natuurlijk ook problemen. Allereerst moesten de nieuwe Grieken ergens worden gevestigd. De nieuwe regering nationaliseerde hiervoor de uitgestrekte gebieden van de kloosters op Athos, waar vele honderduizenden vluchtelingen werden gevestigd, terwijl vele andere vluchtelingen zich in de Piraeus vestigden, waar zij nog tientallen jaren een arme, drugsgebruikende onderklasse zou vormen, met een eigen (sub)cultuur en een eigen muziek, de Rebética, die zingt over drugs, macho-gedrag, armoede en het verloren vaderland.

Boven: Eleftherios Venizelos en een kaartje dat de splitsing van Griekenland in een pro- en een anti-Venizelos kamp laat zien.

Onder: een kaartje dat de vestiging van vluchtelingen uit Turkije laat zien en daar weer onder een portret van Kemal Atatürk.

De beide kaartjes weer uit Clogg.